vorming
 
HVO
vorming
Levensbeschouwing en humanisme
HVO
vorming
humanistisch vormingsonderwijs 
levensbeschouwing
onderzoek en literatuur 
evenementen en projecten 
lesmateriaal 
Auteurs: drs. M.C. Otten en dr. A. Smaling
 

Inleiding

Humanistisch vormingsonderwijs wordt, zoals ook al uit de naam naar voren komt, geïnspireerd door het humanisme. Het humanisme is een levensbeschouwing die de mens centraal stelt en die uitgaat van de waarde van de mens[1]. Maar wat wordt dan bedoeld met het begrip levensbeschouwing? En hoe staat dit begrip in relatie met tal van verwante begrippen die gebruikt worden binnen humanistisch en meer algemeen levensbeschouwelijk onderwijs?
In dit artikel wordt getracht verschillende begrippen die binnen levensbeschouwelijk onderwijs een rol spelen te definiëren en met elkaar in relatie te brengen. Dat voornemen klinkt eenvoudiger dan het is, daar vele auteurs zeer verschillende definities geven van deze begrippen en de relaties ertussen ook zeer verschillend omschrijven. We beginnen met een definitie van het begrip levensbeschouwing.

 

Wat wordt bedoeld met het begrip levensbeschouwing?[2]

Een levensbeschouwing (godsdienstig of niet-godsdienstig) kan omschreven worden als een meer of minder systematische en dynamische weergave van de inzichten en uitgangspunten van een levensovertuiging. Het begrip veronderstelt een cognitiereflectieve benadering. Onder een levensovertuiging (godsdienstig of niet-godsdienstig) versta ik dan een samenhangend geheel van meer of minder expliciete opvattingen, beelden, gevoelens, ervaringen en (lange termijn) verwachtingen over het (dagelijks) leven op aarde. Het begrip levensovertuiging veronderstelt dan ook met name een motivationele benadering, waarbij reflectie op een tweede plaats komt. Die levensovertuiging kan dan zowel op individuen als groepen betrekking hebben. Door een levensovertuiging kunnen individuen of hele samenlevingen zich georiënteerd en gemotiveerd voelen (een levenswijze of levenshouding invullen). Een levensovertuiging ontstaat dan ook in interactie met andere individuen in een samenleving. Wat is nu de relatie tussen deze levensbeschouwing als meer of minder systematische en dynamische weergave van de inzichten en uitgangspunten van een levensovertuiging en een begrip als zingeving?

Levensbeschouwing en zingeving

 Een levensbeschouwing kan voor mensen een bron van zingeving zijn. Door middel van zingeving creëren mensen een relatief stabiele relatie ten opzichte van die wereld; een relatie die bij uitstek tot stand komt door de antwoorden op ultieme zingevingvragen naar de aard, het doel en de oorsprong van het leven, de wereld en de plaats van de mens en de eigen persoon daarin. Zingeving is niet alleen een basis voor de persoonlijke identiteit, maar ligt ook ten grondslag aan maatschappelijke processen van cultuurvorming, waarvan min of meer uitgekristalliseerde of gespecialiseerde vormen van levensbeschouwing deel uitmaken. Men kan met Baumeister (1991) stellen dat het leven van een mens zin heeft als het een of meerdere doelen kent, wordt ervaren als moreel waardevol, enigermate door de betrokkene zelf beheerst wordt en zelfrespect verschaft. De ervaringen, oriëntatiepunten, beginselen en praktijken die het leven als zinvol doen verschijnen, kan men een zingevingkader noemen. Daarmee kan een levensbeschouwing ook een interpretatie en samenhangende betekenis aan zingeving geven.

Een levensbeschouwing nu is in deze benadering een bepaald type zingevingkader. Je zou kunnen zeggen dat het daarbij om een meer doordacht, gesystematiseerd en geëxpliciteerd zingevingkader gaat, al dan niet gedeeld met anderen. Het verschil tussen een minder bewust, expliciet en geordend zingevingkader en een levensbeschouwing is belangrijk, maar uiteindelijk is het altijd een kwestie van gradatie. Vrijwel ieder mens heeft een zingevingkader. Dat wil zeggen dat vrijwel ieder mens wel iets met zijn of haar leven wil, het gevoel wil hebben enigermate over zichzelf te beschikken en door een aantal anderen te worden erkend. Zingeving is daarmee altijd in enige mate relationeel. Het zingevingproces vindt wel binnen een persoon plaats, maar niet zonder dat andere personen daarin een rol spelen. Dat vrijwel ieder mens op de een of andere manier een zingevingkader heeft, betekent dat vrijwel ieder mens in meerdere of mindere mate (vaak het laatste) ook een levensbeschouwing heeft. Maar waarin onderscheidt het begrip levensbeschouwing zich nu van andere verwante  begrippen als religie en godsdienst.

Religie, levensbeschouwing en godsdienst

Wordt het geestelijke als zodanig enigszins losgemaakt van het wereldlijke dan kunnen we over religie spreken. Hierbij gaat het om het ervaren van een relatie met de werkelijkheid die de menselijke overstijgt. Wanneer in een religie het geestelijke wordt verbonden met een bepaalde ingevulde vorm van het goddelijke, kan men die religie een godsdienst noemen, zeker als er een institutionele vorm is. Hierbij gaat het om de dienst van god of goden in het persoonlijke en maatschappelijke leven. Dit veronderstelt het bestaan van een god of goden. Een religie kan aldus gezien worden als een bepaald soort levensbeschouwing en een godsdienst als een bepaald soort religie, voor zover zo ‘n religie of godsdienst ook beschouwelijk, reflectief van aard is. (Men ziet de termen `religie' en `godsdienst' nogal eens verwisselbaar gebruikt en ook wel in een veel ruimere betekenis dan een reflectiecognitieve gerichtheid, zoals bij een levensbeschouwing). Met het omschrijven van deze definities kunnen we overstappen naar de verschillende aspecten die het begrip levensbeschouwing kan hebben.

Aspecten van het begrip levensbeschouwing

Aan de betekenis van het begrip levensbeschouwing kunnen twee aspecten worden onderscheiden: een inhoudelijk (substantieel of begripsaspect) en een functioneel aspect. Het functionele aspect van een levensbeschouwing betreft de mogelijke werking van een levensbeschouwing op verschillende niveaus van het menselijke leven. Daarbij wordt gelet op de manieren waarop iemand een levensbeschouwing kan hebben, ermee kan leven, erdoor beïnvloed kan zijn, of ermee kan omgaan.

Met de term levensbeschouwing bedoelen we inhoudelijk (een substantiële of begripsbetekenis) een beschouwing van het menselijke leven. Deze beschouwing is niet zomaar een kijk, maar een cognitieve en vooral reflectieve gerichtheid op het leven. Het gaat om kennen, interpreteren, beoordelen, waarderen, en vooral om vragen stellen en overdenken, antwoorden zoeken en vinden, en niet of in mindere mate om voelen, streven of handelen. In het beschouwen blijven emoties, gevoelens en handelend optreden op de achtergrond, maar zij kunnen wel voorwerp van of aanleiding tot overdenking en bespiegeling zijn. Een bestaande levensbeschouwing is het product van een, meestal, historisch proces van reflectie, rituele vormgeving, institutionalisering, enzovoorts. Iemand die een eigen, persoonlijke levensbeschouwing heeft, kan zich tegelijkertijd in een proces van zoekend reflecteren bevinden. Diens levensbeschouwing is dan te zien als een product-in-ontwikkeling.
Ieder van deze aspecten (inhoudelijk en functioneel) heeft weer een aantal betekenisdimensies. Het reflecteren betreft niet alleen de aspecten en dimensies op zich, maar tevens de samenhang tussen deze aspecten en dimensies. Allereerst behandelen we hieronder inhoudelijke betekenisdimensies.

Inhoudelijke betekenisdimensies

Aan het inhoudelijke betekenisaspect van een levensbeschouwing kan een vijftal dimensies worden onderscheiden. Elk van deze dimensies correspondeert met een van de volgende vijf domeinen in het menselijke leven die voorwerp kunnen zijn van reflectie: de ontische, de epistemische, de valuatieve, de existentiële en de transcendente dimensie[3]

De ontische dimensie betreft het zoeken naar en vinden van antwoorden op vragen naar wat waar is, wat er kan zijn, wat de aard van iets is en waarom, wat in het menselijk leven mogelijk en onmogelijk is en vragen naar een verklaring ervan. Het gaat onder meer over mensbeelden. Ziet men de mens als het intelligentste zoogdier of als het enige wezen op aarde met een geest? Het kan ook gaan over de bestaande en mogelijke relaties tussen mensen (het sociale), over de relatie tussen mens en natuur, en over de aard van de natuur zelf (het fysische). Er zijn dus mens-, maatschappij-, wereldbeelden en opvattingen van de kosmos in het geding.
 
De epistemische dimensie betreft opvattingen over wat gekend kan worden en op basis waarvan. In een modernistisch soort van humanisme zouden, bijvoorbeeld, alleen de zintuiglijke ervaring en de ratio als bronnen van geldige kennis aanvaard kunnen worden. Terwijl in een christelijke levensbeschouwing ook de goddelijke openbaring kan worden geaccepteerd en in een andere, bijvoorbeeld Oosterse levensbeschouwing ook meditatieve bewustzijnstoestanden.

De valuatieve dimensie (of normatieve dimensie in ruimere zin) betreft waarden, normen, regels, plichten, rechten enzovoorts, van ethische, esthetische en andere aard. Het ethische gaat over het zoeken naar en vinden van antwoorden op vragen naar wat goed is, wat men (be)hoort te doen of te laten, welke waarden belangrijk zijn om nageleefd te worden. Hoe moet men bijvoorbeeld eigenbelang en autonomie afwegen tegen algemeen belang en overgave? Het esthetische gaat over het zoeken naar en vinden van antwoorden op vragen naar wat mooi of schoon is. Het gaat hier niet alleen om de reflectie over muziek en kunst, maar ook over mode en de natuur. Waarom zou een roos mooier zijn dan een paardebloem, een pruik mooier dan een kaal hoofd, een cantate van Bach mooier dan house-muziek, enzovoorts. Waarden en normen van andere aard waarover kan worden nagedacht, zijn onder meer: rationaliteit, emotionaliteit, spontaniteit, ouderschap, gezelligheid, seksualiteit, rijkdom, mooi weer, een nieuw huis, lidmaatschap van een bridgeclub, bewaren van historische documenten en monumenten.

De existentiële dimensie. We doelen hier op de reflectie over bestaans- of levensvragen en antwoorden erop, waarin overigens de andere aspecten een rol spelen en erdoor gekleurd worden. Deze existentiële kleuring maakt de ontische, epistemische en valuatieve optieken eigenlijk pas echt levensbeschouwelijk. De vragen naar het ware, het geldige, het goede, het schone en wat verder nog waarde heeft, komen dan immers in het licht te staan van de vraag naar de zin van het leven. Wat is de zin van een schoonheidservaring in het geheel van iemands levensverhaal? Wat is de betekenis van het leven dat ik leid, in deze wereld? Wie ben ik? Waartoe ben ik hier? Wat is de zin van geboren worden en weer doodgaan? Is er een ultieme zin van het leven en wat is die zin? Is een goed mens zijn nu alles wat er is?

De spiritueel-transcendente dimensie. Elke zingeving heeft al een (zij het soms minimaal) transcenderend moment, omdat iets in verband wordt gebracht met iets anders. De andere pool van transcendentie betreft de overstijging van de menselijke ervaring, van het menselijke bewustzijn als zodanig. De existentiële dimensie van een levensbeschouwing raakt altijd al enigermate aan spiritualiteit, maar kan ook een meer wezenlijk spiritueel karakter krijgen. De mate waarin dat gebeurt, is individueel of van geval tot geval verschillend. Het gaat dan over innerlijk geestelijk leven dat gericht is op openheid en ontwikkeling, op het transcenderen van het leven van alledag en het verlangen naar doorleving en bezieling. Het gaat om het zoeken naar en soms vinden van antwoorden op vragen naar de zin van het leven in zijn geheel. Ideeën daarover worden dan veelal niet alleen in de gewone taal uitgedrukt, maar ook in symbolische, bijvoorbeeld metaforische taal, symbolische en mystieke kunstvormen. Dergelijke taal en kunstvormen verwijzen dan naar iets wat `anders', `niet-aanwezig' of `onuitsprekelijk' is. Dit symbolisch-transcendente of spirituele leven is betrokken op iets dat het louter innerlijke overstijgt: de ideale mens, de wereld van alle mensen, de aarde waarop we leven, de kosmos, een onkenbare levensbron, een godheid[4]. Naast de hierboven genoemde vijf inhoudelijke betekenisdimensies is er ook sprake van functionele betekenisdimensies. Deze zullen nu besproken worden.

Functionele betekenisdimensies

Het gaat bij functionele betekenisdimensies om de rol en functie van een levensbeschouwing. Die kan men ten eerste ontwaren in het maatschappelijk leven: ‘Levensbeschouwelijke regiems voorzien in een behoefte. Zij doen wat ieder regiem doet: zij ‘beschermen’ en ‘onderdrukken’. Zij beschermen de gemoedsrust en hun aanhangers, door bepaalde gedachten en gevoelens van zekerheid te cultiveren, en zij onderdrukken lastige vragen die het regiem ondermijnen’[5].
Ten tweede gaat het hier om de rol en functie van een levensbeschouwing in het individueel-persoonlijke leven. Hoe gaan mensen met hun levensbeschouwing om, hoe leven ze ermee?[6] We onderscheiden vijf dimensies in de functionele betekenis voor het individueel-persoonlijke leven.

Levensbeschouwing als bron of interpretatiekader van zingeving, met name voor wat betreft het reflectief-cognitieve van zingeving, maar dat niet alleen. Als zingevingskader of -systeem kan een levensbeschouwing antwoorden aanbieden op vragen naar het uiteindelijke doel, de ultieme zin van je eigen bestaan. Een levensbeschouwing kan tegemoet komen aan de behoefte aan begrijpelijkheid van de wereld, van het leven[7]. Een levensbeschouwing kan richting, structuur aan iemands leven geven, een doel aanbieden, rechtvaardigingen (normen en waarden) voor keuzes en cognitieve samenhang opleveren. Het kan ook een veilig gevoel bieden, een gevoel van geborgenheid en van ergens bijhoren, je kunnen positioneren. Verder kan de behoefte bevredigd worden het gevoel te hebben invloed te kunnen uitoefenen, controle te hebben en ertoe te doen, bijvoorbeeld in een verenigingsverband. Ook de behoefte iets te betekenen voor een ander, kan door het bezit van een levensbeschouwing bevredigd worden. Bovendien kan het leven met een levensbeschouwing bijdragen aan het gevoel van eigenwaarde.

De persoonlijke betrokkenheid bij de eigen levensbeschouwing. Omdat een levensbeschouwing een bron van behoeftebevrediging kan zijn, kan een persoon zich zeer betrokken voelen bij die levensbeschouwing. Met behulp van het levensbeschouwelijke verhaal kan eenheid in de biografie (identiteitsvorming), maar ook in het leven van alledag gebracht worden. Deze dimensie komt onder andere tot uitdrukking in een taak of roeping die iemand voor zichzelf in zijn leven ziet weggelegd. Hoewel we gewoonlijk in ons taalgebruik zeggen dat iemand een bepaalde levensbeschouwing heeft, betekent dat identiteitsbepalende karakter toch ook dat een mens niet zomaar van levensbeschouwing verandert (wat niet betekent dat de levensbeschouwing niet kan veranderen). Een radicale verandering van of overgang naar een andere levensbeschouwing raakt de kern van een persoon, de visie op en de wijze van leven waar hij of zij voor staat, waar hij of zij zich toe bekent.

De verwerving en verwerking van een levensbeschouwing. Hier gaat het over de achtergrond, de culturele bronnen, de traditie waaruit men put. Iemand heeft bijvoorbeeld de geloofsovertuiging van haar ouders overgenomen, die in een eeuwenoude traditie wortelt zoals de rooms-katholieke godsdienst. Maar op een gegeven moment kunnen er twijfels rijzen, die verwerkt moeten worden. Deze verwerking kan uitmonden in een opnieuw eigengemaakt geloof.

De cultivatiedimensie. Er zijn allerlei manieren om de eigen levensbeschouwing te onderhouden. Vaak zullen dit rituelen zijn die alleen of in een groep worden uitgevoerd. Maar ook liturgische bijeenkomsten, studiebesprekingen, praatgroepen, etentjes, wandelingen en excursies kunnen dienen om de eigen levensbeschouwing te onderhouden en verder te ontwikkelen.

De reikwijdtedimensie. Met reikwijdte wordt hier verwezen naar de uitstraling, de relevantie, in- en uitwerking op de diverse terreinen en domeinen van iemands leven. Het gaat hier niet zozeer om de interne samenhang van een levensbeschouwing voor wat betreft de inhoudelijke en functionele betekenisaspecten en de dimensies ervan, maar veeleer om de externe samenhang met de praktijk van het alledaagse leven. Hoever gaat de doorwerking van de aangehangen levensbeschouwing in alle facetten van iemands leven? Wat is het bereik en het gewicht in het persoonlijk leven? Een levensbeschouwing verwijst ook naar iets dat of iemand die het vermogen heeft mensen aan te spreken, te inspireren, geestkracht te verschaffen. Vieringen, manifestaties, rituelen en kunst (bijvoorbeeld poëzie, muziek en dans) kunnen bij dit alles een belangrijke rol spelen. Hermans spreekt van een meerstemmig zelf; verschillende tegenstrijdige visies zijn in onze verschillende ‘rollen’ aanwezig. Die verscheidenheid aan visies kunnen hanteren en in samenhang met elkaar kunnen plaatsen valt ook onder deze dimensie[8].

Een kritische kantekening: beschouwing versus beleving

Uit het bovenstaande zou kunnen worden afgeleid dat levensbeschouwen met name een cognitieve activiteit is. Lange tijd heeft dan ook bij filosofen en theologen de onuitgesproken mening geheerst dat het ideaal van levensbeschouwen bestond uit het goed doordacht zijn ervan, de consistentie of samenhang, de interne logica en de bewuste verantwoording. Dat leidde vaak tot een verwaarlozing van het impliciete, of anders geformuleerd, het geleefde en beleefde aspect van levensbeschouwing. Wellicht werd de vroege, elementaire religie van de mensheid eerder gedanst dan gedacht, dat wil zeggen: eerder geleefd en beleefd dan in een reflectief denksysteem uitgewerkt[9]. Dat geldt misschien nog steeds voor eigentijdse vormen van levensbeschouwing (en religie).

Een niet te schatten aantal mensen benadert de vraag naar de zin van hun leven niet of niet voornamelijk op een bewust beschouwende, filosofisch reflectieve wijze. Eveneens een niet in te schatten deel heeft geen samenhangende levensbeschouwing. Maar dat betekent niet dat ze in de praktijk van hun leven, hun gewone levensverloop, de ervaring van zinvolheid niet kennen of dit levensverloop als ‘gewoon’ goed beschouwen. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat het begrip levensovertuiging, gezien de nadruk op motivationele aspecten, deze staat in het dagelijks leven van veel mensen beter weergeeft. Daaraan gekoppeld is het begrip levenshouding, daaronder wordt dan het daadwerkelijk in praktijk brengen (laten zien, laten merken, voorbeeld geven) van de eigen levensovertuiging en levensbeschouwing - voorzover men daartoe in staat is - verstaan.

Collectieve versus individuele levensbeschouwingen

Uit de verkenningen van het begrip, de dimensies en de aspecten van het begrip levensbeschouwing hierboven zou kunnen worden geconcludeerd, dat levensbeschouwingen voornamelijk individueel beleefd en beleden worden. Die conclusie dient enigszins genuanceerd te worden. Traditioneel belangrijke levensbeschouwingen als christendom, jodendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme worden in zekere zin collectief aangehangen en beleden.

Dat woord ‘collectief’ wordt hier echter vooralsnog in een zo neutraal mogelijke, descriptieve betekenis gebruikt. Het gegeven dat een groep mensen ‘dezelfde’ levensbeschouwing deelt, sluit immers niet bij voorbaat uit dat individuen uit die groep persoonlijk voor die levensbeschouwing kiezen en autonoom de verantwoordelijkheid voor die keuze op zich nemen. Mensen kunnen meningen en gedragingen gemeenschappelijk hebben, terwijl ze er toch uit persoonlijke en weldoordachte motieven voor hebben gekozen. Omgekeerd wordt er door de godsdienstsocioloog Ter Borg op gewezen dat onze laatmoderne maatschappij wordt gekenmerkt door het paradoxale verschijnsel dat iedereen zelf wenst te kiezen; we staan vaak zelfs onder collectieve druk zelf te kiezen en steeds weer de eigen persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen. Alsof er een soort collectieve dwang tot individualiteit is. Ook hebben in het huidige sterk geïndividualiseerde culturele klimaat tal van mensen hun eigen persoonlijke, vaak eclectische levensbeschouwing, waarin bijvoorbeeld ook elementen uit marxisme, sciëntisme en New Age-denken een rol spelen. Dit geïndividualiseerde klimaat heeft ook de wijze waarop ‘gelovige’ individuen omgaan met traditionele levensbeschouwingen als christendom en islam, niet onberoerd gelaten. Zelfs als ze uiterst traditioneel zijn en sterk hiërarchisch georganiseerd, veranderen levensbeschouwingen voortdurend. Hoewel bepaalde godsdiensten zelf sterk hebben bijgedragen tot de idee dat een godsdienst door de eeuwen heen gelijk behoort te blijven, in de kern onveranderlijk behoort te zijn, laat hun geschiedenis bij nader toezien juist de verandering zien. Misschien kunnen we wel stellen: wil een levensbeschouwing een menselijk karakter hebben, mensen aanspreken, dan moet ze veranderlijk zijn, want mensen en het menselijk leven is permanente verandering[10].

Humanisme versus andere levensbeschouwingen

Wat ‘de’ humanistische levensbeschouwing (bedoeld is de uitdrukkelijke, expliciete levensbeschouwing) betreft, kan men zeggen dat die nooit erg collectief van aard is geweest maar een grote nadruk legt op individuele zelfbeschikking en verdraagzaamheid tussen mensen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat ook bewuste humanisten in hun zinervaring op anderen betrokken zijn en wat betreft het doordenken en verwoorden van hun levensbeschouwing met anderen samenwerken of discussiëren. Daarom zijn humanisten ook vaak betrokken bij het helpen realiseren van een betere wereld. In de humanistiek vormen zingeving en humanisering dan ook twee hoofdthema’s.

Humanisten zijn voorstanders van bewust leven, dialoog, redelijkheid, verantwoordelijkheid en vrij onderzoek. Vanwege dit laatste is het navoelen, doordenken, expliciteren, vormgeven en ontwikkelen van impliciet humanistische zingevingskaders in de richting van een humanistische levensbeschouwing een project dat humanisten vaak aanspreekt. Maar ook heel snel vrezen humanisten weer dat gesystematiseerde levensbeschouwing ontaardt in scholastiek, dogmatiek en statische en abstracte wereldvreemdheid. Zoals alle levensbeschouwingen is humanisme voortdurend in verandering, of humanisten dat nu willen (meestal wel dus) of niet.

Het spreken over humanistische en niet-humanistische levensbeschouwingen roept de vraag op of die wel altijd zo gemakkelijk te onderscheiden zijn. Levensbeschouwingen zullen elkaar soms beslist uitsluiten, maar ze zullen elkaar evenzeer vaak voor een belangrijk deel overlappen en bij alle verschil in traditie en woordgebruik soms zelfs grotendeels samenvallen. Er zijn dus bijvoorbeeld vormen van christendom, islam en boeddhisme die men humanistisch kan noemen, en vormen daarvan die duidelijk met humanistische beginselen in strijd zijn. In het artikel van Derkx[11] wordt opgemerkt dat de gemeenschappelijke impliciet ‘humanistische’ elementen van een godsdienst voldoende draagvlak kunnen creëren voor een vruchtbare samenwerking. Een soortgelijk betoog valt uit het ‘Pleidooi voor de invoering van een landelijk vak levensbeschouwing’ te beluisteren[12].


Referenties



afdrukken
   

<terug | agenda | publicaties | zoeken | sitemap | contact | disclaimer