Competenties
Een competentie is een samenhangend geheel van kennis, inzichten, vaardigheden en houdingen. Elke leraar wordt geacht over voor het beroep noodzakelijke competenties te beschikken en deze ook te onderhouden (Wet Beroepen in het Onderwijs).
Voordat ingegaan wordt op de competentiebeschrijvingen, worden eerst de begrippen handelingsdimensies, bekwaamheidseisen en kennis toegelicht.
- Bij handelingsdimensies gaat het om het gebied waarbinnen de leraar het vak hvo/HL uitoefent.
- Bij bekwaamheidseisen gaat het om specifieke vaardigheden waarover de leraar dient te beschikken.
- Bij kennis gaat het om theoretische en praktische kennis. Kennis wordt gezien als het fundament onder de vaardigheden.
Hieronder volgt een uitwerking op hoofdlijnen van de vereiste competenties op bachelorniveau ten behoeve van het basisonderwijs, de onderbouw van het voortgezet onderwijs, het vmbo en het mbo.
1. Inter-persoonlijk competent
De leraar kan de interactie met de individuele leerling, de leerlingen onderling en de groep als geheel zodanig beïnvloeden dat een positieve sfeer van omgaan met elkaar en van goede samenwerking ontstaat.
Handelingsdimensies:
a. (Bege)leiding.
b. Communicatie met leerlingen.
c. Omgangsvormen.
Bekwaamheidseisen:
a. De leraar is in staat te motiveren en te enthousiasmeren.
b. De leraar kan ‘waarde(n)vol communiceren’ met de leerlingen.
c. De leraar is in staat leerlingen ‘waarden(n)vol communiceren’ te leren.
d. De leraar is in staat ‘op democratische wijze’ omgangsregels met de groep vast te stellen.
e. De leraar weet ontspannen de leiding te nemen.
f. De leraar kan op een professionele wijze omgaan met eigen emoties en die van de leerlingen.
g. De leraar kan groepsdynamische processen hanteren.
h. De leraar kan een gespannen sfeer doorbreken door te relativeren op een positieve manier.
i. De leraar heeft gevoel voor nabijheid en distantie.
j. De leraar kan actief luisteren.
Relatie met kennis:
a. De leraar kent de effecten op leerlingen van verschillende vormen van leidinggeven (autoritair, democratisch of laissez faire).
b. De leraar kent de uitgangspunten van ‘waarden(n)vol’ communiceren.
c. De leraar kent de dynamiek die zich in groepen kan voordoen.
2. Pedagogisch competent
De leraar kan, mede op grond van kennis van de levensbeschouwelijke en morele ontwikkeling van leerlingen, een veilige leeromgeving creëren, die uitnodigt tot persoonlijke groei.
Handelingsdimensies:
a. Bevordering zelfvertrouwen.
b. Uitnodiging tot zelfstandig denken en (zo nodig uitgesteld) oordelen.
c. Waardering creativiteit.
d. Bevordering respectvolle onderlinge relaties.
Bekwaamheidseisen:
a. De leraar is in staat de uniciteit van elke leerling te waarderen.
b. De leraar is in staat tot open levensbeschouwelijke communicatie.
c. De leraar is in staat de leerlingen te stimuleren om op een positieve wijze betrokken op elkaar te zijn.
d. De leraar is in staat het pluriforme karakter van de samenleving te waarderen en dit tot uiting te laten komen in de lessen.
e. De leraar kan de onderlinge afhankelijkheid van mensen en van mens en natuur naar de leerlingen toe communiceren.
f. De leraar kan een prettige sfeer creëren in de klas.
g. De leraar is meer gericht op belonen dan op straffen.
Relatie met kennis:
a. De leraar heeft kennis van en inzicht in handelen dat zelfvertrouwen, groei en onderling respect bevordert.
b. De leraar heeft kennis van en inzicht in de ontwikkelingspsychologie van leerlingen in de leeftijd van 4-16 jaar in het algemeen en de levensbeschouwelijke en morele ontwikkeling in het bijzonder.
c. De leraar kent pedagogische opvattingen die inherent zijn aan een humanistische levensbeschouwing.
d. De leraar heeft algemene kennis van pedagogische opvattingen die inherent zijn aan de grote wereldreligies en (enkele) seculiere levensbeschouwingen.
3. Vakinhoudelijk en didactisch competent
De leraar kan op basis van kennis van humanistische uitgangspunten en mensenrechten vormingsprocessen organiseren, die leerlingen in staat stellen op eigen en bewuste wijze vorm te geven aan ‘sociale levenskunst’ en ‘sociaal en ecologisch wereldburgerschap’. Deze begripsinhouden kunnen richting geven aan een zingevende invulling van een persoonlijke levens- en wereldbeschouwing.
Handelingsdimensies:
a. Leerstofkeuze.
b. Omgaan met verschillen.
c. Organisatie van het onderwijsvormingsproces in de fasen: herkennen, onderzoeken, kiezen en evalueren.
Bekwaamheidseisen:
a. De leraar kan zelfstandig lessen ontwerpen, uitvoeren en evalueren.
b. De leraar kan afwisselende werkvormen en media toepassen in de lessen.
c. De leraar kan aansprekende thema’s of aansprekende lesstof in wisselende werkvormen behandelen.
d. De leraar kan levensvragen behandelen op een manier die de leerlingen aanspreekt.
e. De leraar kan werkvormen gebruiken die aansluiten bij verschillende leerstijlen van leerlingen.
f. De leraar kan begrip en respect stimuleren bij de leerlingen voor andere levensbeschouwelijke of religieuze opvattingen.
g. De leraar kan verschillen en overeenkomsten tussen verschillende levensbeschouwingen en religies laten ontdekken en bespreken.
h. De leraar kan bestaande methoden vakinhoudelijk en didactisch beoordelen op grond van humanistische en/of in mensenrechten vastgelegde uitgangspunten.
i. De leraar kan aansluiten bij en inspelen op aan de schoolidentiteit gerelateerde inhouden en werkwijzen.
j. De leraar kan de dialoog stimuleren en waarderen.
k. De leraar kan werkvormen kiezen die passen bij de leerlingen en bij het doel van het lesonderdeel (bijvoorbeeld filosoferen, kringgesprek, drama).
l. De leraar kan op kritische en creatieve wijze verschillende werkvormen toepassen (onder meer filosoferen met leerlingen, kringgesprek, drama).
m. De leraar is in staat en bereid te handelen in overeenstemming met de beroepscode van Stichting HVO (namens het HV), of bij het ongebonden vak met de richtlijnen van het schoolbestuur.
Relatie met kennis:
a. De leraar heeft kennis van de humanistische traditie.
b. De leraar heeft kennis van de mensenrechten.
c. De leraar heeft algemene kennis van enkele seculiere levensbeschouwingen, waaronder boeddhisme.
d. De leraar heeft algemene kennis van de grote wereldreligies Jodendom, christendom, islam en hindoeïsme.
e. De leraar kent afwisselende werkvormen en media en hun toepasbaarheid.
f. De leraar heeft kennis van verschillende leerstijlen.
g. De leraar kent de visie achter de verschillende werkvormen.
h. De leraar heeft kennis van bestaande methoden voor het vak levensbeschouwing met een filosofisch en humanistisch raakvlak.
i. De leraar heeft kennis van de (levensbeschouwelijke, pedagogische en didactische) identiteit van de school waarop zij of hij werkzaam is.
j. De leraar kent de methodiek van HL.
k. De leraar kent de doelstellingen van HL.
4. Organisatorisch competent
De leraar kan voorzien in de structuurbehoefte van leerlingen, zodat het leef- en werkklimaat voor leerlingen afdoende overzichtelijk, ordelijk en taakgericht is.
Handelingsdimensies:
a. Doel, inhoud en organisatie van de lessen.
b. Verwachtingen naar de leerlingen toe.
c. Groeperingsvormen.
Bekwaamheidseisen:
a. De leraar kan heldere instructies en uitleg geven.
b. De leraar kan eigen verwachtingen naar de leerlingen toe helder uiteenzetten.
c. De leraar kan groeperingsvormen kiezen die aansluiten bij het beoogde onderwijsdoel.
Relatie met kennis:
a. De leraar heeft kennis van de structuurbehoefte(n) van haar (individuele) leerlingen.
b. De leraar heeft kennis van wijzen van instructie geven.
c. De leraar heeft kennis van verschillende groeperingsvormen en hun toepassingen.
5. Competent in het samenwerken met collega’s
De leraar kan constructief bijdragen aan het levensbeschouwelijk, pedagogisch en didactisch klimaat, de organisatie en de persoonlijke verhoudingen van en binnen de school.
Handelingsdimensies:
a. Delen van kennis, inzichten en vaardigheden vanuit het eigen vakgebied met collega’s.
b. Participatie in schoolbrede thema’s die een relatie hebben met een levensbeschouwelijke dimensie.
c. Klimaatverbeterende voorstellen.
Bekwaamheidseisen:
a. De leraar is bereid kennis te delen.
b. De leraar is in staat constructief samen te werken.
c. De leraar is in staat conflicten vreedzaam op te lossen.
Relatie met kennis:
a. De leraar kent de kerndoelen van het primair onderwijs
b. De leraar kent het schoolwerkplan van de school.
c. De leraar kent de identiteit van de school.
d. De leraar kent de inhoudelijke onderdelen met een levensbeschouwelijke dimensie in de leerplannen van de vakken in de onderbouw van het voortgezet onderwijs, en in het vmbo en het mbo.
e. De leraar heeft kennis van technieken voor conflictoplossing.
6. Competent in het samenwerken met de omgeving
De leraar is in staat een goede relatie te onderhouden met de ouders van de leerlingen en met instellingen die (kunnen) bijdragen aan verdieping van de inhoud van de lessen.
Handelingsdimensies:
a. Voorlichting ouders over de inhoud van de lessen.
b. Bespreking ‘levensbeschouwelijke ontwikkeling’ van de leerlingen met de ouders, in algemene zin of desgevraagd individueel.
c. Opbouwen netwerk van gastdocenten.
d. Bezoek aan bijeenkomsten van humanistische organisaties die als inspiratiebronnen kunnen dienen.
e. Bezoek aan een museum, moskee of kerk met leerlingen.
Bekwaamheidseisen:
a. De leraar is in staat individuele ouders of een groep ouders voor te lichten over de inhoud van het vak hvo/HL.
b. De leraar is in staat de levensbeschouwelijke ontwikkeling van leerlingen te volgen en te verwoorden.
c. De leraar is in staat een goede relatie te onderhouden met personen en instellingen die een bijdrage kunnen leveren aan de lessen.
d. De leraar kan constructieve contacten leggen/onderhouden met de ouders/verzorgers van de leerlingen.
Relatie met kennis:
a. De leraar kent personen en instellingen uit de omgeving van de school die inhoudelijke bijdragen aan de lessen kunnen leveren.
b. De leraar heeft kennis van de professionele infrastructuur van de school.
7. Competent in reflectie en ontwikkeling
De leraar is in staat zelf zorg te dragen voor de eigen professionele ontwikkeling en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.
Handelingsdimensies:
a. Evaluatie eigen lessen, individueel en samen met de leerlingen.
b. Reflectie op de verbinding tussen eigen persoonlijke levensbeschouwing, levenshouding en normatieve professionaliteit.
c. Deelname aan (intervisie)bijeenkomsten van de beroepsgroep.
Bekwaamheidseisen:
a. De leraar is in staat te reflecteren op de eigen professionele ontwikkeling
b. De leraar kan een constructieve bijdrage leveren aan intervisiebijeenkomsten.
c. De leraar kan een persoonlijke competentiebalans opmaken en kan op basis hiervan doelgericht kiezen voor jaarlijkse bijscholing.
d. De leraar is in staat te beoordelen welke bijscholing voor zichzelf het meest relevant is.
Relatie met kennis:
a. De leraar heeft kennis van reflectiemethoden.
b. De leraar heeft kennis van intervisiemethoden en bijbehorende spelregels.
c. De leraar heeft kennis van maatschappelijke ontwikkelingen in het algemeen en die in het onderwijs in het bijzonder.
d. De leraar heeft kennis van inhoudelijke ontwikkelingen binnen het georganiseerde humanisme in Nederland.